
'Eén op de zeven zwangerschappen eindigt in abortus'; 
NRC.NEXT
13 december 2012 donderdag
Section: Op de hoogte
 Thomas Rueb
De aanleiding
,,Het is, als je dat op je in laat werken, een onvoorstelbaar groot aantal", schrijft de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) op haar website over het aantal abortussen dat in Nederland wordt uitgevoerd. De SGP ,,kan nooit wennen aan de huidige abortuspraktijk". Daartoe diende de partij vorige week een motie in bij de Tweede Kamer om die nog eens goed te onderzoeken. De partij schrijft aan de Kamer ,,dat in Nederland elk jaar meer dan 30.000 keer een abortus wordt uitgevoerd, en een op de zeven zwangerschappen eindigt in een abortus". Ook op de partijwebsite komen deze cijfers terug. Lezer Frank van Outersterp vroeg next.checkt dit te controleren.
Waar is het op gebaseerd?
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) brengt jaarlijks een rapportage uit met daarin de Nederlandse cijfers over abortus. De recentste is de Jaarrapportage 2010 van de Wet afbreking zwangerschap. Daaruit blijkt: in 2010 werden in Nederland 30.984 abortussen geregistreerd. In dat jaar ging er een abortuskliniek failliet in Den Haag, waarvan cijfers niet zijn meegenomen. Als die cijfers ook worden meegenomen, komt het totaal uit op 32.054 abortussen. Dit gaat niet alleen om Nederlandse vrouwen - ongeveer één op de acht abortussen betrof buitenlandse vrouwen die speciaal daarvoor naar Nederland kwamen. Het aantal Nederlandse vrouwen dat een abortus kreeg was 28.000.
De cijfers over 2011, en vanzelfsprekend 2012, zijn nog niet beschikbaar. Toch geven de cijfers over 2010 een goede indicatie. Volgens de IGZ daalt het aantal abortussen sinds 2007 licht - maar waarschijnlijk niet genoeg om onder de 30.000 uit te komen. De door de SGP aangehaalde ,,meer dan 30.000" is dus correct.
En, klopt het?
Maar is dat ook ,,één op de zeven zwangerschappen" in Nederland? De SGP hanteert hiervoor de zogenaamde 'abortusratio' van de IGZ. Dat is de verhouding abortussen op levende geboortes. Voor elke 1.000 levende geboortes vonden 152 abortussen plaats in 2010, inderdaad iets meer dan één op zeven.
Uit de 'abortusratio' kan je niet zomaar concluderen dat één op de zeven zwangerschappen ook eindigt in abortus, zoals de SGP en IGZ doen. Zwangerschappen kunnen ook eindigen met een miskraam of doodgeboorte. Dat is hierin niet meegenomen.
Doodgeboorte wordt in Nederland geregistreerd. Volgens het CBS ging het in 2010 om 1.138 gevallen. Precieze cijfers omtrent miskramen zijn er echter niet. Die worden niet landelijk geregistreerd. Het Nederlands Huisartsen Genootschap hanteert de gangbare schatting dat ongeveer 10 procent van de zwangerschappen eindigt met een miskraam.
Om te berekenen hoeveel dat er in 2010 waren, moeten we het totaal aantal zwangerschappen achterhalen. Ook daar bestaan geen cijfers over. Wanneer we het totaal aantal levende geboortes (184.000) optellen bij doodgeboortes (1.138) en abortussen (28.000) komen we uit op 213.138 zwangerschappen - miskramen niet meegerekend. Als we de norm van 10 procent miskramen hanteren, dan kunnen we berekenen dat er in 2010 in totaal ongeveer 236.820 zwangerschappen waren. Als we dat tegen het aantal abortussen afzetten dan blijkt één op zeven te ruim. Ongeveer 11,8 procent van de zwangerschappen eindigde in abortus. Dat is niet één op de zeven, maar één op de 8,5.
Conclusie
Volgens de SGP eindigt één op de zeven zwangerschappen in Nederland met een abortus. Daarvoor hanteren zij de 'abortusratio' van de IGZ: het aantal abortussen afgezet tegen het aantal levende geboortes. Zwangerschappen die eindigen met een miskraam of doodgeboorte zijn hierin echter niet meegenomen. Doen we dat wel, dan komen we uit op 11,8 procent - oftewel één op 8,5. Al met al beoordelen wij de stelling dat in Nederland ,,één op de zeven zwangerschappen eindigt in abortus" als half waar.
Nog even over de Verklaring omtrent het Gedrag
In de next.checkt van afgelopen vrijdag is een fout opgenomen. Wij checkten de stelling: ,,Nu kunnen veel jongeren die in het verleden in aanraking zijn geweest met justitie vaak geen VOG krijgen." Deze uitspraak deed ChristenUnie-Kamerlid Gert-Jan Segers naar aanleiding van het verkorten van de terugkijktermijn voor jongeren bij het aanvragen van een Verklaring Omtrent het Gedrag van 4 naar 2 jaar. Wij schreven dat de nieuwe termijn gold tot en met 18 jaar, maar dit moet zijn tot en met 22 jaar.
Wij keken of het inderdaad om ,,veel jongeren" ging. Van de mensen tot en met 18 jaar die een VOG aanvraagt krijgt 0,04 procent hem niet, 63 gevallen. Dat vonden wij niet ,,veel". Van de mensen tot en met 24 jaar krijgt 0,8 procent hem niet, 1200 gevallen. Dat is hoger dan het gemiddelde van alle leeftijden dat ligt op 0,75 procent. Hierop baseerde de ChristenUnie haar uitspraak.
Maar beide percentages beschrijven niet de groep tot en met 22 jaar. De woordvoerder van het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft nogmaals navraag gedaan en komt nu met een percentage van 0,6 procent afwijzingen voor jongeren tot en met 22 jaar. Dat is flink meer dan 0,04 procent, maar het ligt onder het gemiddelde van 0,75.
Gebaseerd op de leeftijdscategorie tot en met 22 jaar zouden wij de uitspraak van Segers als half waar beoordelen: het percentage is tussen 18 en 22 jaar sterk toegenomen, maar ligt onder het gemiddelde. Maar de ChristenUnie nam de definitie 'jongeren' ruimer, waar een hoger dan gemiddeld percentage bij hoort. Wij veranderen ons oordeel daarom van 'grotendeels onwaar' in grotendeels waar.
 
De Staatkundig Gereformeerde Partij SGP in de kamer en op de partijwebsite
 dagen oud embryo met fysiologische navelbreuk. 
foto flip franssen
